Taalgebruik

In zijn roman '14-'18 schreef André Demedts over het ontspanningsleven achter het IJzerfront:

Om de veertien dagen trad een groep derderangs-artiesten op, met tranerige liederen en vooral met humoristische schetsen, doorspekt met platte dubbelzinnigheden. (...) Houdingen en gebaren verduidelijkten wat de aanwezigen niet begrepen. Hoe grover en lager bij de grond, hoe meer bijval.

De oorzaak van die bedenkelijke humor is niet ver te zoeken ... In 1914, op de vooravond van Den Grooten Oorlog, publiceerde Pater Starcke de brochure ArmVlaanderen waarin hij een scherp beeld neerzette van de sociale wantoestanden indertijd:

In de 4 Waalsche provincies zijn er 20 % ongeletterden, in de Vlaamsche 30 %. Te Gent zijn er meer dan 50 % menschen die het eenvoudig rekenen niet kennen. Gebrek aan ontwikkeling baart armoe, en armoe gebrek aan beschaving ...
Ons volk is ruw, onbeschoft en dierlijk. De grote schuld is aan de beschaafden van het volk. Hoe zal  het volk zich beschaven indien het geen voorbeelden heeft die inwerken op zijn denken, voelen, spreken en doen. Indien men het volk afgesloten heeft en afsluiten blijft van hooger beschaving, het als een lastdier ploeteren laat totdat het zich, om rust en uitspanning te vinden, als een half redeloos schepsel gedraagt, aan wien dan de schuld?

 

Middelbaar en universitair onderwijs werd toen uitsluitend in het Frans gegeven, het 'Vlaams' werd geminacht en was maar goed 'voor boeven en boeren'. De kleine man kende alleen de ruwe opvoeding van de straat ...

 

Marcel Boey verwoordde het zo in Tragedie 14/18:

 

Bij het begin van de oorlog belandden zij in loopgraven en kantonnementen waar ze, bestendig in het leven bedreigd, hokten in stof, in slijk en in vuiligheid. In die afschuwelijke omstandigheden, in het vuur, in het staal en in de modder ontdekten meer ontwikkelde jongelui, studenten of pas afgestudeerden, die zich vrijwillig als soldaat hadden gemeld, voor het eerst de ellende van het Vlaamse volk.

MeerhoutenaaMgr. Karel Cruysberghs, die de oorlog als aalmoezenier meemaakte, sprak naderhand in een radiotoespraak:

Met de zedelijkheid op het front was het treurig gesteld. Huwbare mannen ver van huis, doen vrij in een vreemde streek ...
Als ze - na een afmattende en gevaarlijke wacht in de loopgraven - in de kantonnementen terugkeerden, leek het of hun overspannen zenuwgestel schadeloosstelling vergde. Dan waren ze 
heel wat meer uitgelaten en wilder dan anders. Een plaag waren de schunnige konversaties met hun allusies die het sexuele zochten in alles en nog wat ...